Jan Voerman Junior werd op 23 januari 1890 in Hattem geboren. Als kind werd hij al gefascineerd door de wereld van planten en insecten. Hij verzamelde schelpen, mossen, torretjes en daarmee componeerde hij zijn eigen stilleven. Dit deed hij niet om ze te tekenen, maar om ze te kunnen bestuderen. Zo ontwikkelde hij al heel jong het “Zien”. Zijn vader leerde hem werken met waterverf, maar ook met olieverf.

 

In 1905, dus als vijftienjarige, kreeg hij zijn eerste officiële opdracht. Grootvader Verkade vroeg hem of hij tekeningen kon maken voor de natuuralbums, die de firma Verkade uit wilde geven. De teksten werden verzorgd door Jac.P.Thijsse . Jan Junior moest samenwerken met de bekende tekenaars Wenckenbach en Van Oort. Het was eigenlijk de bedoeling dat Voerman Senior deze opdracht zou krijgen, maar die zag niets in zo’n samenwerkingsverband. Hij zei: “Vraag dat maar aan Jan. Die kan dat veel beter. Laat hij de kleine wereld maar maken en laat mij de hoge luchten”. Zo begon de relatie van Voerman Junior met de “Verkade albums”.Het zou een langdurige samenwerking worden. Tussen 1906 en 1909 verschenen de albums “Lente”, “Zomer”, “Herfst”, en “Winter”. Tot 1939 heeft hij meegewerkt aan vijfentwintig albums. De oorlog maakte er een einde aan. Dit gaf hem de mogelijkheid om zich nu te wijden aan zijn grote liefde: schilderen in olieverf.

Op advies van de kunstpaedagoog H.P.Bremmer gaat Jan naar de Kunst Academie in Den Haag en volgt daar de opleiding lithograferen. Bremmer had dit goed gezien: hij is inderdaad een groot lithograaf geworden. In 1923 trouwde hij met Hetty Mansholt. In Overveen, waar hij enige tijd woonde, vormden de duinen een ideaal tekengebied voor hem. In Overveen woonde ook Anton Pieck. Beiden waren in die tijd met etsen bezig en zo bestaat er nog een ets van Pieck, die hij aan Voerman heeft opgedragen. In 1928 verhuist het gezin Voerman naar Laren. Daar wonen ze enkele jaren in het voormalige huis en atelier van de beeldhouwer Mendes da Costa.

In 1932 laat Voerman een huis in Blaricum bouwen. In dat Blaricumse atelier maakte hij veel illustraties voor exportcatalogi voor bloembollen. Daarnaast heeft hij veel kalenders gemaakt, sommige in opdracht van de Bondsspaarbank, maar ook wel in eigen beheer. Hier ontstaan ook zijn prachtige litho’s. Toen de kleurenfotografie opkwam en de drukprocédé’s verbeterd werden, kreeg hij minder opdrachten. Hoewel hij dit werk nooit minderwaardig gevonden heeft, kon hij zich nu wijden aan zijn grote liefde: schilderen in olieverf. Zijn liefde voor al wat leeft, was zichtbaar in zijn werk. Zijn vader stond in de traditie van de zeventiende-eeuwse landschapschilders. De wijze waarop Voerman Junior de schoonheid van het verval weergeeft, doet ook denken aan de zeventiende-eeuwse meesters, bijvoorbeeld “de Asperges” van Adriaen Coorte in het Rijksmuseum. In de zeventiende eeuw verwees een aangestoken vrucht echter naar de vergankelijkheid van het bestaan. Voerman verwees naar de schoonheid van heel de natuur, inclusief de schoonheid van het verval. Ook de wormstekige appel en de aangevreten rode kool schilderde hij liefdevol en niet als Vanitassymbool.

In een interview heeft Voerman eens gezegd: “Ik ben geen man van woorden, ik ben een man van zien.” Het is een voorrecht om door de ogen van Voerman te kijken. De zoon van de IJsselschilder is zo zijn eigen weg gegaan. Al heeft hij altijd goede kritieken op zijn tentoonstellingen gekregen, toch heeft hij lang in de schaduw van zijn vader gestaan. Daar is nu echter verandering in gekomen. Junior is niet langer alleen maar de man van de Verkadepaatjes. Hij is een veelzijdig kunstenaar, zowel op grafisch als op picturaal gebied. Met zijn vader heeft hij gemeen de betrokkenheid, ja bijna vereenzelving met het onderwerp. Senior:”Die wolk is in werkelijkheid niet zo. Zo ben ik van binnen”. Junior:”Als ik een plant teken, ben ik zelf die plant. Het moet nog levend worden.” Onder zijn handen ging het ook leven.