De Hattemse Uiterwaarden
Anno 1401 schonk Hertog Willem van Gelre een 300 hectare groot weidegebied langs de IJssel aan de Stad Hattem de z.g. “Hoenwaard” of “Homoet”. Alleen binnen de stad wonende burgers mochten hun vee daar weiden.
Elk huis ontving één of meer z.g. “Scharen”. Het aantal werd door de schepenen en de burgerij vastgesteld. De scharen bleven rusten op de huizen en bij verkoop werden deze mee verkocht. Men kocht of verkocht dus een “bron van inkomsten”. Het te weiden vee werd van tevoren gebrandmerkt. Dit karwei werd bij toerbeurt verricht door de smeden van de stad, die burgerrecht bezaten.
Op Sint Petridag (22 februari) werden elk jaar de schaarhouders bij elkaar geroepen voor een vergadering.
Begin Mei werden de koeien dan “uitgeschaard” en “gemerkt”. Dit brandmerken was jaarlijks een waar evenement in Hattem. Na een lange winter in de stallen dartelde het vee, voorzien van het brandmerk de vrijheid tegemoet.
De gehele stad beleefde haar plaatselijke feestdag. De jeugd gewapend met versierde stokken hielp mee het vee opdrijven richting IJssel en de schoonmaak van de straten en stallen kon beginnen.
Er werden twee weidemeesters aangesteld en een zogenaamde “aandrijver”. De laatste controleerde dagelijks of het vee niet buiten de “rikken” (omheining) liep.
De besmettelijke veeziekten waren voor Hattem met zijn gemeenschappelijke weide vaak een ramp. Er werd dan een apart stuk weide voor ingericht (het zogenaamde “sieckencampke”).