Opkomst en ondergang
De oudste oorkonde die betrekking heeft op de burcht de Dikke Tinne stamt uit 1307. Reinald I, graaf van Gelre, verklaart daarin dat hij in Hattem een huis sticht voor drie broeders van de Johannieterorde. Voorwaarde was dat de broeders zelf het huis zouden onderhouden en tijdelijk het veld ruimden als de graaf en zijn gevolg of zijn nakomelingen in Hattem verbleven. In 1371 is er in een oorkonde sprake van het ‘Huys te Hattem’ met een voorburcht en bezittingen in de wijde omgeving.
Burcht naar Frans voorbeeld
In 1401 maakte hertog Willem van Gelre en Gulik een reis door Frankrijk en deed daar inspiratie op voor de verbouwing van zijn ‘Huys’ te Hattem. Het zou een vierkante burcht worden met twee grote en twee kleine torens op de hoeken en korte tussenmuren. De burcht met de dikste muren, zeven meter, die Nederland ooit gekend heeft. In 1403 werden 389.000 bakstenen aangekocht, deels in Hattem vervaardigd langs de IJssel en deels van elders aangevoerd.

De windvaan van de burcht de Dikke Tinne
In 1404 was de grote verbouwing min of meer afgerond. In dat jaar gaf hertog Reinald IV de Arnhemse schilder Evert Beeldemaker opdracht een vaan te vergulden en te beschilderen met het wapen van de hertog. Gelis de koperslager hamerde de koperen vaan en Evert schilderde er twee klimmende leeuwen op. De gouden, gekroonde leeuw van Gelre met een gevorkte staart op een azuurblauw veld en de zwarte leeuw van Gulik op een gouden veld.
De vaan is in 1990 bij een opgraving gevonden in de vroegere slotgracht van de burcht en wordt als één van de belangrijkste, middeleeuwse bodemvondsten in Gelderland beschouwd.
Op brokken kleigrond uit de slotgracht zijn resten bladgoud van de oorspronkelijke decoratie van de vaan achtergebleven.

De indeling van de burcht
Het rechthoekige deel tussen de torens bestond uit drie verdiepingen. Onderin bevond zich de grote keuken met de wijnkelder, de vleeskelder en de veldhoenkelder. Daarboven lag het hart van het kasteel: de grote zaal met de kapel. In deze zaal vonden officiële ontvangsten plaats en werden feesten gehouden. Naast de zaal lag de ‘jofferenkamer’ en daarboven de slaapkamers. In de torens, die meerdere verdiepingen telden, bevonden zich behalve meerdere slaapkamers ook de kruitkamer, de schrijfkamer, de drostenkamer en het vertrek voor de kamerheer.
De burcht was een dorp op zich, omringd door muren en een gracht. Op de voorburcht woonde het vaste personeel, waaronder de stalknecht, de vogeler, de visser, de brouwer en de bakker, de smid en de timmerman. Hier werden ook de voorraden voor het kasteel opgeslagen, zoals turf, meel en rogge en stonden de stallen voor de vele paarden.
Het kasteel in verval
Eind 16e eeuw raakte de burcht in verval. De verstandhouding met de stad verslechterde door het verraad van burggraaf Van Montfoort. Tijdens de belegering van de stad door de Spanjaarden in 1580, tijdens de Tachtigjarige Oorlog, verleende de katholieke Van Montfoort in het geheim de Spanjaarden toegang tot de burcht. De Hattemers, die protestantse sympathieën hadden, heroverden het kasteel en namen Van Montfoort gevangen. Daarna werd een deel van de burcht gesloopt en het andere deel geïntegreerd in de stadsmuur.
Sloop
In 1778 berekende het stadsbestuur dat de sloop van de burcht en de verkoop van de stenen enkele duizenden guldens zou opleveren. Het gevolg was dat de burcht tot op de fundamenten gesloopt werd.

F.A. Hoefer
Frederik Adolf Hoefer werd in 1850 geboren in Sittard. In 1879 maakte een ongeval een eind aan zijn militaire carrière. Daarna heeft hij pionierswerk in Nederland verricht op het terrein van de geschiedenis en de archeologie.

De opgravingen van 1894/ 1895
Hoefer ontving in 1894 een vergunning van het stadsbestuur om opgravingen te doen op het Tinneplein. Helaas ontbreekt het verslag van de opgravingen en is het niet duidelijk waar de vondsten zijn gebleven. Destijds vertelde Hoefer in zijn lezingen over een grote zaal en een put, waarin hij 100 kannetjes en gekleurde vloertegels had aangetroffen.
De gevelsteen boven de Slotpoort is dankzij Hoefer voor de slopershamer behoed.
De opgravingen tussen 1981 en 1983
In verband met de herinrichting van het Tinneplein verzocht de gemeente in 1981 de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek, de ROB, de exacte locatie van de Dikke Tinne te traceren. De amateurarcheologen van de vereniging Heemkunde Hattem verrichtten opgravingen ten zuiden van het Spookhuis, een deel van de vroegere voorburcht. De leden van de Nederlandse Jeugdbond voor de Bestudering van de Geschiedenis,de NJBG, zochten naar de Slotpoort en de kleine torens.
Eén van de grote torens werd gelokaliseerd en drie zijden van het rechthoekige middengedeelte van de burcht. Naderhand werd ook één van de kleine torens gevonden en was het mogelijk om een plattegrond van de burcht te tekenen.

De opgraving van 1989
In 1989 waren er plannen voor de aanleg van een ondergrondse parkeergarage onder het Tinneplein. Leden van de vereniging Heemkunde Hattem verrichtten meer dan een jaar lang archeologisch onderzoek op het bedreigde terrein. Resten van vlechtwerk, planken en palen leverden gegevens op over de locatie van de slotbrug. Bijzondere losse vondsten waren de koperen windvaan, delen van een helm, haakbussen en de loop van een klein, bronzen kanon.

In de bestrating van het Tinneplein zijn de contouren zichtbaar gemaakt van de kleinste burcht met de dikste muren van Nederland. Dit als herinnering aan vervlogen tijden, waarin de graven en hertogen van Gelre in Hattem verbleven.

Ontleend aan: E. van der Steen, A. Scheper
Opkomst en ondergang van de Dikke Tinne
Kampen 2003