Notice: get_row_css_class is verouderd sinds versie 4.2 (will be removed in 5.1), zonder beschikbaar alternatief. in /usr/home/lsw_data_02_dro/lankman1/www.voermanmuseumhattem.nl/www/wp-includes/functions.php on line 3831

Hattem ligt op het uiterste noordelijke puntje van de Veluwe. De oudste vermelding van Hattem dateert uit de negende eeuw. In 1176 werd Hattem een zelfstandig kerspel. Ongeveer in diezelfde tijd is men op een kleine natuurlijke hoogte aan de bouw van de Grote Kerk aan de Markt begonnen. In 1299 kreeg Hattem van Graaf Reinald I stadsrechten en sindsdien konden de burgers zelf onderling rechtspreken en een beschermende stadsmuur met poorten en torens bouwen.

Hertog Willem stichtte in Hattem een gasthuis voor armenondersteuning. In 1401 schonk hertog Willem de Hoenwaard, waar de burgers die binnen de stadsmuren woonden hun vee mochten laten grazen en steen mochten bakken. Beide elementen zouden van groot belang voor Hattem worden. Eeuwenlang stonden ’s winters honderden koeien binnen Hattem op stal. Baksteenverslindende bouwwerken konden worden aangepakt. De hertog zelf gaf hierbij het voorbeeld. In de veertiende eeuw liet de hertog aan de rand van zijn grensvesting Hattem voor zichzelf een kasteel bouwen, wat in 1404 werd gemoderniseerd. Deze modernisering behelsde in ieder geval twee torens met een diameter van 21 meter een een muurdikte van zes tot zeven meter die qua afmetingen uniek in Nederland waren. Het kasteel werd later met recht “De Dikke Tinne” genoemd. Regelmatig woonde de hertog alhier een poosje met zijn hofhouding. In de 16de eeuw bestond er een subsidie in natura voor het metselen van stenen gevels en het maken van harde in plaats van rieten daken. Het doel was uiteraard het beperken van de gevolgen van brand. Stadsbranden waren een regelrechte ramp. Bijvoorbeeld die van 1501. Hattem ligt op een kruispunt van wegen en aan de rivier de IJssel bij een rivierovergang. Er was dan ook enige handel en Hattem werd een, weliswaar bescheiden, lid van de Hanze. Vrij snel na elkaar, respectievelijk in 1407 en 1414, werden tamelijk ver buiten het stadje Hattem het fraterhuis Hulsbergen en het klooster Claerwater gesticht. Het klooster Claerwater lag bij het Katerveer en is gesticht door zusters. Klooster Hulsbergen lag in het huidige Kloosterbos. In 1411 is in de Ridderstraat de St. Joriskapel gesticht. Waarschijnlijk dankt de straat zijn naam aan de ridder St. Joris. Op de Gaedsberg buiten de stad, verrees het St Antoniusgasthuis voor mensen met lepra. Hattem is langzamerhand over een groot aantal jaren na 1533 op de hoogte gebracht van gematigde protestantse denkbeelden. Toen de Geuzen het in Hattem vanaf de zomer van 1572 enkele maanden voor het zeggen hadden is de stad overgegaan tot het protestantisme. Bij de beeldenstormen in die jaren moesten vooral de kloosters Hulsbergen en Claerwater het ontgelden. Hattem heeft zich reeds vóór de pacificatie van Gent in 1576 aan de zijde van de opstand geschaard. De katholieke drost Willem van Montfoort heeft in 1580 het kasteel door verraad in handen van Spaanse soldaten gespeeld, maar door snelle reactie van de burgers, geholpen door buursteden, zijn zij er snel weer uit gewerkt. Montfoort heeft zijn verraad met de dood bekocht. Eind 1587 en begin 1588 hebben de Spanjaarden nog een mislukte aanval op Hattem gedaan. Na de jaren negentig van de 16de eeuw werd het rustiger rond Hattem. Hattem was vertegenwoordigd in de Staten van het Kwartier van Veluwe, samen met Arnhem, Elburg, Harderwijk en Wageningen en de Ridderschap en had zodoende invloed in de Staten van Gelre en de Staten Generaal. In 1656 heerste de pest in Hattem met 475 doden. Dat was een derde van de toenmalige bevolking. In de eerste helft van de zeventiende eeuw moet Hattem een bloeiperiode hebben meegemaakt. Veel van de grote monumentale panden en het carrillon en het belangrijkste meubilair in de Grote Kerk dateren uit die tijd. Een inbreuk op die bloei is de bezetting door de Fransen en Munstersen in 1672 (het rampjaar) zijn geweest. Hattem werd veel minder welvarend. In de stad bevinden zich daarom geen rijke monumenten uit de 18de of 19de eeuw. In het schoutambt was vrijwel iedereen landbouwer of dagloner (ongetwijfeld in de landbouw), maar toch waren er nog drie kleermakers, drie karremannen, twee schoenmakers, twee herbergiers, een aantal kapitalisten, een timmerman, een koeienhandelaar, de windkorenmolenaar van de Klaarwaterse molen, de papiermaker onder Molecaten en de waterkorenmulder onder Molecaten, alsmede de schoolmeester van Wezep. Het overgrote deel van deze mensen deed er overigens wel wat landbouw bij. In de stad daarentegen werden er slechts twee landbouwers genoemd. Toch hadden tientallen mensen van binnen de muren samen nog ruim 52 morgen zaailand in gebruik. En uiteraard bezaten zij honderden runderen die op Hoenwaard mochten weiden. In het schependom waren de meesten net als in het schoutambt in de landbouw werkzaam. In 1778 is de ruïne van de Dikke Tinne gesloopt met het doel de grote hoeveelheid stenen te verkopen. In de achttiende eeuw werkten de stadsbestuurders in Nederland steeds meer aan hun eigen belang dan aan het belang van hun stad. Zo ook in Hattem. Drie van de acht magistraatsleden woonden bijvoorbeeld na 1760 meestal ergens anders. De stadsbesturen werden na 1750 op de Veluwe benoemd door de Stadhouder, die er een rommeltje van maakte. Tegen deze en nog vele andere ondemocratische wantoestanden kwamen de patriotten in verzet. Ook in Hattem, waar ze werden geleid door de hier geboren Herman Willem Daendels. Het draaide bijna op een burgeroorlog uit. Hattem werd in 1786 door Stadhoudelijke troepen hoegenaamd zonder slag of stoot bezet en de patriotten sloegen op de vlucht. Enkele raddraaiers werden tot verbanning veroordeeld, inclusief Daendels, die later nog belangrijke functies zou bekleden, zoals Gouverneur Generaal van Oost-Indië. Hattem maakte in de negentiende eeuw niet een welvarende indruk. Een poging om een armen – spin – en leerschool tot bloei te brengen liep op niets uit. Wat wel bloeide, was het kostschoolgebeuren, vooral onder de populaire Van Wijck. De tanende Latijnse School werd er aan opgeofferd. Later in dezelfde eeuw werd Hattem “ontdekt” door een aantal kunstschilders. Zo woonden en werkten hier kortere of langere tijd o.a: Jan Voerman, Scheurleer, Luite Klaver en Verkade. Al met al hebben er bijna honderd schilders in Hattem gewerkt, waaronder Bosboom, Evertsen, Witsen. De negentiende eeuw bracht een flink aantal verbeteringen op verkeerstechnisch gebied, namelijk: in 1829 het kanaal van Hattem naar Apeldoorn, in 1830 de Zuiderzeestraatweg van Amersfoort naar Zwolle, in 1845 de grindweg van Hattem naar Apeldoorn (het Loo), waarna de stadspoorten niet meer ’s nachts werden gesloten en de portiers ontslagen.

Bron: G.Kouwenhoven, streekarchivaris.